Idolatrie

Idolatrie schijnt door alle tijden heen wijd verspreid te zijn geweest als een van de voornaamste vormen van religie, hoewel de namen van de goden hebben gevariëerd onder de verschillende volkeren. Het idee van goden en godinnen is voortgekomen uit de twee kanten van de natuur van de mens, zijnde idealisme en verering. De mens heeft, hoe primitief hij ook in zijn evolutie is, altijd een verlangen gehad om op te kijken tegen het een of ander object of het een of ander wezen als hoger en beter dan hijzelf. Soms creëerde hij een ideaal vanuit zijn eigen natuur en soms werd hij aan zo´n ideaal geholpen door een ander. Er is geen ras in de wereld dat kan zeggen dat het geen idolatrie heeft gekend, hoewel velen vandaag de dag er met minachting naar zouden kijken.

De mens heeft God meer gekend via goedheid dan via grootsheid, want niemand bewondert echt macht. De mens geeft zich over aan macht maar bewondert goedheid. Dus wordt het ideaal van verering gebaseerd op twee dingen: hulde voor goedheid en overgave aan een grotere macht. Steun, bescherming, voorzienigheid, genade, compassie en vergevingsgezindheid werden ook als goedheid gerekend; en de schepping en vernietiging van alle dingen en wezens werden als macht gerekend. In het combineren van deze twee, goedheid en grootsheid, heeft de mens het idee van God gecompleteerd; en daar God één is, kon hij van Hem geen twee maken, hoewel er altijd net zoveel goden zijn als er menselijke wezens zijn, daar het ideaal van iemand kenmerkend voor hem is.

De mens kon zijn ideaal niet completeren zonder een idee van persoonlijkheid te vormen; hij kon alleen maar tevredengesteld worden door de een of andere vorm, die hij als vanzelf het liefst net als zijn eigen vorm maakte, of een combinatie van gelijkenis te maken of enige gelijkenis te portretteren die zijn mind kon bevatten. Net zoals iedereen van zijn naaste verschilt in zijn ideëen en gedachten, zo verschilde ieder in zijn keuze van het ideale idool. Als iemand een bepaald idool zijn god noemde en zijn vrienden, volgelingen en verwanten ook die god accepteerden zei iemand die zich tegen hem verzette dus tegen hem: ´Mijn god is anders dan de jouwe´, en maakte hij een andere god. Als er al enig nadeel opkwam uit het verering van idolen, was het slechts dit: dat mensen in plaats van te buigen voor een God en zich te verenigen met hun mede-schepsels in de verering van een God, verschillende routes hebben genomen in de naam van verschillende idool-goden en op die manier hebben veel afgodendienaars zich van elkaar afgewend.

Er is de mensheid idool-verering onderricht opdat ze zouden kunnen leren om God te idealiseren zelfs als ze niet voldoende waren ontwikkeld om het ideaal van God in zijn ware betekenis te begrijpen. Dit was een opleiding, net zoals een klein meisje haar eerste opleiding krijgt in huishoudelijke taken in het spelen met poppen. De mens kan God alleen maar als mens idealiseren want elk wezen ziet in een ander op de eerste plaats zichzelf. Een schurk zal de schurkenstreek van een ander vrezen en een vriendelijk iemand zal vriendelijkheid van zijn naaste verwachten.

De mens heeft altijd gedacht dat geesten, spirits, djins, elven en engelen een menselijke vorm hadden. Hoewel hij soms vleugels, hoorns of een staart heeft toegevoegd om ze anders te maken, heeft hij toch zijn conceptie zo dicht mogelijk bij de menselijke vorm gehouden; en daarom is het geen wonder dat hij zijn hoogste ideaal in de vorm van een mens heeft afgeschilderd. Maar hij noemde het het tegenovergestelde, in plaats van te zeggen: ´Ik heb God naar mijn eigen beeltenis gemaakt´, zei hij dat God de mens naar Zijn gelijkenis heeft gemaakt. Zelfs zulke ideëen als vrijheid worden vandaag de dag verbeeld in de vorm van een vrouw of man, zoals men kan zien in de haven van New York en op de postzegels van Frankrijk.

De mens is in alle tijden tragisch geweest. Hij is van nature een acteur en het is zijn grootste plezier om een tragedie van zijn leven te maken en om er zelf een rol in te spelen. Deze spirit ligt ook verborgen binnenin de kerk en de natie en het is dezelfde spirit die een kroon draagt of de opgelapte gewaden van een derwisj accepteert. Wanneer deze natuurlijke houding haar rol speelt in het religieuze of spirituele leven dan is het haar eerste neiging om zich een Heer, een Koning of een Meester voor ogen te houden voor wie ze kan buigen; en ze heeft de mens een neiging gegeven om God in een menselijke vorm te idealiseren of om een menselijke naam en vorm als God te idealiseren.

Hoewel er diversiteit van religies, geloofsovertuigingen en geloven bestaan, altijd hebben bestaan en altijd zullen bestaan zal de menselijke natuur toch altijd, overal en in alle tijden dezelfde blijven. En degene die deze menselijke natuur kent zal de religie van iedereen begrijpen en hij zal alle anderen beschouwen als behorende bij zijn religie, de ene en de enige religie van wijsheid.

De mens is gewend om te geloven in de werkelijkheid van dingen die hij kan aanraken en waarnemen en hij kan in een ideaal geloven dat zich voorbij zijn aanraking en waarneming bevindt alhoewel hij niet zeker van het bestaan ervan kan zijn. Tevens weerhoudt de afwezigheid van dat ideaal hem ervan om zijn verering tot expressie te brengen. Hij twijfelt en vraagt zich af tot wie hij aan het bidden is, of er een dergelijk wezen als God bestaat en als er een dergelijk wezen bestaat hoe Hij er dan uitziet. En net zoals niet iedereen een prachtige voorstelling heeft die hem bevredigt, is ook niet iedereen in staat om in zijn mind het ideaal van zijn verering te verbeelden. Het zijn musici die muziek componeren, hoewel iedereen kan zingen of een beetje kan neurieën; het is de schilder die een schilderij maakt hoewel iedereen een beetje kan tekenen om zichzelf te vermaken; het zo was het ook met degenen met verbeeldingskracht boven de gewone mensen die een beeld van hun voorstelling aan de wereld gaven in de vorm van een mythe, die vervolgens werd gereproduceerd door kunst en tot idool werd gemaakt. In de klassieke tijd leek dit de enig mogelijke manier om de mensheid te verheffen.

De hindoes waren het eerst om een conceptie te vormen van de drie aspecten van de Goddelijkheid, die ze Trimurti noemden: Brahma, de Schepper, Vishnu de Onderhouder en Shiva de Vernietiger. Deze drie machten houden het gehele universum in balans en zij zijn in alles op de wereld aktief. Brahma werd voorgesteld met vier armen, wat aanduidt dat er naast de fysieke armen mentale armen zijn die nodig zijn in het schema van de schepping. En Vishnu wordt zittend op een cobra afgebeeld. Dit verwijst naar de macht van vernieitiging die net als een cobra aan het wachten is om elke activiteit te verzwelgen; om roem van de beroemde mensen weg te nemen, weelde van de rijke mensen en macht van de machtige mensen. Degene die op deze macht kan rusten is de onderhouder van alle activiteiten en belangen in het leven.

Het beeld van Shiva is dat van een asceet uit wiens hoofd rivieren ontspringen, om wiens nek zich een cobra bevindt, as op zijn lichaam, een stier als zijn voertuig. In dit beeld verwijst de cobra naar destructie die accepteerd is: alles waar de mens bang voor is is om zijn nek heen geslagen, terwijl as verwijst naar verzaking: alles wat door een perfecte destructie is heengegaan verandert in as. De rivieren die uit het hoofd ontspringen tonen een constante bron van inspiratie, daar de inspiratie van de mysticus onbeperkt is; en de stier verwijst naar iemand met een eenvoudig geloof, zonder beredenering, die de waarheid accepteert, die niet zo gemakkelijk op intellectuele wijze te accepteren is.

Er zijn drie godinnen die het andere aspect van deze naturen laten zien: Sarasvati, de metgezellin van Brahma, die op een pauw rijdt, met vier handen waarvan er twee een vina vasthouden, de derde hand een rozenkrans en de vierde een boek; wat betekent dat muziek, leren en contemplatie creatief zijn; en de pauw stelt de schoonheid voor die zich in de kunst bevindt. De godin van Vishnu is Lakshmi, die op een lotus staat met een kroon van goud; ze heeft vier handen, in een ervan een Sankha, een wapen uit de klassieke oudheid, in een ander hand een Kaml, een lotusbloem, wat aanduidt dat de godin van de weelde alle schoonheid van het leven aan haar voeten heeft en delicaatheid en tederheid in haar handen. Het wapen stelt de macht voor die nodig is om weelde vast te houden: een arm om te verzamelen, de ander om te geven; de kroon van goud duidt erop dat de weelde de eer is van degene die weelde heeft. De derde godin is Parvati, de metgezellin van Shiva.

Dit zijn lessen die de mensheid worden gegeven opdat men de verschillende aspecten van het leven bestudeert met de gedachte aan heiligheid.

In de ogen van de wijze mensen van alle tijden is het universum één enkele immanentie van het goddelijke Wezen geworden. En datgene wat niet vergeleken kan worden of wat geen vergelijk heeft is moeilijk uit te leggen geweest met menselijke taal. Daarom is het het idee van de wijze mensen geweest om de mens toe te staan God te vereren op wat voor manier hij ook maar in staat is Hem af te schilderen. Je kunt in geschiedenissen en overleveringen bespeuren dat bomen, dieren en vogels vereerd werden en ook rivieren, zeeën, planeten, de zon en de maan. Allerlei soorten helden werden er vereerd. Er heeft voorouder-verering bestaan, van spirits, zowel goed als slecht; en de Heer van de hemel werd door sommigen vereerd als de Schepper, door sommigen als de Onderhouder, door sommigen als de Vernietiger en door sommigen als de Koning van iedereen. En de wijze mensen hebben alle vormen van verering getolereerd, terwijl ze zagen dat ze allemaal dezelfde God in verschillende namen en vormen vereren, hoewel zich nog niet realiserend dat de god van iemand anders dezelfde god is die door iedereen wordt vereerd. Daarom erkende de religie van de hindoes deze vele goden in één God en tegelijkertijd erkende ze die ene God in al Zijn ontelbare vormen.

Er kwam een tijd waarin God van idool tot ideaal werd verheven en dit was ongetwijfeld een vooruitgang. Toch is Hij in het ideaal nog steeds een idool en tenzij de kwestie van het leven en de perfectie ervan opgelost kan worden door het Gods-ideaal, door je liefde en verering van Hem, ben je niet aanbeland bij dat doel dat alle religies zoeken.

De behoefte van het Gods-ideaal is als de behoefte van een schip waarin je moet zeilen over de zee van eeuwigheid; en net zoals er zonder schip het gevaar bestaat om in de zee te verdrinken, zo bestaat er voor de mens zonder Gods-ideaal een gevaar om ten prooi te vallen aan de sterfelijkheid. De problemen van de gelovige zijn altijd net zo groot geweest als de problemen van de niet-gelovige. Want een eenvoudige gelovige kent over het algemeen God van het beeld dat zijn priester hem heeft gegeven: God de Goede of Koesteraar of Genadige; en wanneer de gelovige in de rechtvaardige God onrechtvaardigheid in de wereld ziet en de gelovige in de vriendelijke God wreedheid om zich heen ziet en wanneer de gelovige in God als de Koesteraar te maken krijgt met hongersnood, dan komt er een tijd waarin het koord van zijn geloof breekt. Hoe veel mensen zijn er in deze recente oorlog (WO-I, vert.) niet aan het twijfelen geslagen en hebben niet het bestaan van God betwijfeld! Sommigen zijn zelfs complete niet-gelovigen geworden!

Idolatrie is op een bepaalde manier voor de mens een les geweest in het geduldig praktiseren van zijn geloof en geloofsovertuiging voor onopmerkzame goden van steen, zichzelf op de grond werpend en buigend voor de idool-god gemaakt door zijn eigen handen. Er komt vanuit die onopmerkzame god geen antwoord in de wanhoop van de mens, geen uitreiking van een hand in de armoede van de mens, geen zorg of omhelsing van sympathie. En toch worden geloof en geloofsovertuiging onder alle omstandigheden vastgehouden en het is een dergelijke geloofsovertuiging die op steen wordt gebaseerd en die regen en storm doorstaat, onbewogen en ongebroken. En wat is ten slotte de verblijfplaats van God? Dat is de geloofsovertuiging van de mens. En waar zit Hij op? Zijn troon is het geloof van de mens. Dus was idolatrie de aanvangsfase in het versterken van geloof en geloofsovertuiging in God, het ideaal dat als enige de bron is van de verwerkelijking van de waarheid.

Toen de wereld evolueerde tot het punt waarop een gelovige in God in staat was zelfs zijn God in het idool te zien en om met Hem te communiceren door de macht van zijn geloof, toen kwam er de volgende les voor de gelovige, die werd gegeven door de reeks profeten van Ben Israël. Van Abraham tot Mozes, van Mozes tot Christus werd de les onderricht die zijn hoogtepunt vond in de boodschap van Mohammed. Het idee van deze volgende les was het idool te veranderen in een ideaal en om vanuit verering van vorm tot het abstracte te komen. Door gebed, de Heer prijzend, door het verheerlijken van Zijn naam, door te mediteren op Zijn eigenschappen, door Zijn rechtschapenheid te bewonderen en door Zijn goedheid te verwerkelijken creëerde de mens God in zijn eigen hart. Dit was ook de bedoeling van idolatrie, maar dat was slechts de eerste les; de tweede les was je mind te bevrijden van de vorm; want wanneer God in een vorm wordt erkend dan worden er veel andere vormen verlaten omdat ze dan allemaal ook als Zijn vormen worden erkend.

De mens heeft een zwakte in zijn natuur; en het is dat de mens wanneer hem iets voor zijn bestwil wordt gegeven en hij ervan houdt hij eraan gehecht raakt totdat hij de slechte resultaten ervan krijgt; en wanneer hij er op zo´n manier aan gehecht is wil hij het nooit meer laten gaan. Als een arts zijn patient een medicijn geeft en de patient ervan houdt dan verzwelgt hij erin en wil hij ermee doorgaan totdat het in plaats van een medicijn te zijn voor zijn genezing het tot een slechte gewoonte wordt die leidt naar zijn destructie. Zo werd idolatrie geleidelijk aan een slechte gewoonte, totdat de boodschappers ertegen moesten vechten en het met een hamer moesten stukslaan. Maar in gevallen waarin het slechts als een eerste les werd beschouwd bracht het grote verbetering en bereidde het de mensen voor op het ontvangen van de tweede les van het Gods-ideaal, die veel mensen moeilijk te leren vonden.

Het is ongetwijfeld waar dat God niet zonder idolatrie in de een of andere vorm vereerd kan worden, hoewel veel mensen dit absurd zouden vinden. God is wat de mens van Hem maakt, hoewel Zijn ware wezen zich voorbij de capaciteit van het maken van de mens of zelfs het waarnemen van de mens bevindt en dus het ware geloof in God onbegrijpelijk is; slechts dat deel van God is begrijpelijk wat de mens maakt. De mens maakt het in de vorm van de mens of uit de eigenschappen die hem goed in de mens toeschijnen; en dat is de enige manier om God te modelleren, als de mens ooit probeert dat te doen. In de een of andere vorm een stenen beeld maken en het als God te vereren is de primitieve fase van verering en om God af te schilderen in een menselijke vorm, in de vorm van de een of andere held, profeet of redder is een meer gevorderde fase. Maar het is een hoger soort verering wanneer de mens God vereert voor Zijn goedheid, wanneer hij onder de indruk raakt door de sublimiteit van Zijn natuur, wanneer hij de visie van goddelijke schoonheid vasthoudt, deze schoonheid erkennend in verdienste, macht of deugd en wanneer hij dit ziet in zijn perfectie dat God te noemen, die hij vereert. Deze fase van Gods-verwerkelijking is een stap voorwaarts vanuit de verwerkelijking van de Goddelijkheid in een beperkte menselijke vorm.

Deze invloed werd duidelijk zichtbaar in de hindoe-religie tijdens de tijd van Shankaracharya, die zich niet bemoeide met degenen die zich in een primitievere fase bevonden en idolen vereerden, maar die gedurende zijn gehele leven op een zeer wijze en vriendelijke manier probeerde om de waarheid in zijn land bekend te maken. Zijn lering verspreidde zich langzaam, maar toch is de invloed ervan zeer behulpzaam geweest. In de semitische rassen is bekend dat deze hogere vorm van verering door Abraham is geïntroduceerd.