De mens, het zaad van God

De mens kan zeer terecht het zaad van God worden genoemd. God de Eeuwige, zich zeer bewust binnenin Zichzelf, omarmt Zijn natuur vol met variëteit; op deze manier is Hij één en is Hij alles. De gehele manifestatie is net als een boom die ontsproten is aan de goddelijke wortel. De natuur is als zijn stam en alle aspecten van de natuur zijn als de takken, de bladeren, het fruit en de bloem; van uit deze boom wordt opnieuw hetzelfde zaad voortgebracht, de menselijke ziel, die de eerste oorzaak was van de boom. Dit zaad is de spirit van de mens en net zoals God de gehele manifestatie binnenin Zichzelf begrijpt, één zijnde, zo bevat de mens binnenin zichzelf het gehele universum als Zijn miniatuur. In de Koran wordt gezegd: ´We hebben de mens naar onze beeltenis geschapen´. Derhalve kan noch God iets anders zijn dan wat Hij is, juist omdat Hij één is en tegelijkertijd alles noch kan de mens dat; noch de mens noch God kan gereïncarneerd worden.

De huidige man van de wetenschap heeft toegegeven dat de hele huid van de mens om de zoveel jaar wordt veranderd en dat ze in staat zijn geweest te ontdekken dat elk atoom van de constitutie van de mens een aantal keer tijdens zijn leven verandert, elke keer zijn lichaam vernieuwend. Als het lichaam onderhevig is aan verandering dan is de mind dat ook en slechts hierdoor wordt de persoon van de mens geïdentificeerd. Bovendien leven we in ons voedsel en in onze drank op zo veel kleine leventjes en leven er veel kleine leventjes op ons, zich ophoudend in ons bloed, onze aderen, onze tubussen en in de huid, die allemaal onze individualiteit uitmaken. En in de mind is elke gedachte van ons en elk gevoel van ons net zo levend als wij, zelfs zulke zaken als de elementen, demonen en engelen, die binnenin ons, uit ons vandaan en van ons worden geschapen en toch terecht net als wij individuen genoemd mogen worden. Dus op het einde van het onderzoek is het moeilijk voor iemand om uit te vinden of hij als één bestaat of als vele.

In onze dromen herrijzen alle inwoners van onze mind een wereld vormend binnenin onszelf. We zien in de dromen dingen en wezens, een vriend, een vijand, een dier, een vogel en ze komen uit het niets maar worden geschapen uit onze eigen zelven. Dit toont aan dat de mind van een individu een wereld op zich samenstelt, die wordt geschapen en vernietigd door de bewuste of onbewuste handeling van de wil, die twee aspecten heeft: intentie en toeval. We hebben ervaring van deze wereld van de mind zelfs als we wakker zijn, maar het contrast tussen de wereld van binnen en de wereld van buiten maakt de wereld van buiten concreet en de wereld van binnen abstract.

Iemand kan vragen: ´Als alles wat we in de droom zien wij zelf zijn waarom zien we onszelf dan als een entiteit die is afgescheiden van alle andere dingen die zich voor ons bevinden in de droom?´ Het antwoord is, omdat de ziel op een dwaalspoor wordt gebracht door onze uiterlijke vorm en dit beeld herkent ze als het ik en alle andere beelden en vormen die zich voor haar in de droom manifesteren staan in contrast met dat ik; derhalve herkent de ziel ze als anders dan het ik.

Echter, als het één individu is dat reïncarneert moeten we dan ons veranderlijk lichaam of onze mind, die beide één lijken en tegelijkertijd veel, als een individu beschouwen? Iemand kan aan Jan vragen: ´Welk deel van jouzelf is Jan, het oog, de neus, het oor of de hand of de voet, want elk heeft een specifieke naam? Of zijn jouw gedachten en gevoelens Jan? Ze zijn talloos, veranderlijk en divers; je benoemt ze als die en die verbeelding, dat en dat gevoel?´ Dit laat zien dat Jan zich afzijdig houdt als de eigenaar van alle verfijndere en grovere eigenschappen die zich hebben gegroepeerd en voor hem een illusie hebben gevormd, die, gereflecteerd op zijn ziel hem: ´ik, Jan´ laten zeggen. Hij is de eigenaar van alles wat hij rondom en om hem heen heeft gerealiseerd en toch is elk atoom en elke vibratie die zijn illusionaire zelf heeft opgebouwd onderhevig aan verandering en aan een afgescheiden en individuele geboorte en dood.

De ziel die zich op de terugweg naar het eeuwige bevindt kan niet halverwege omkeren; en wanneer zij dat doel bereikt ervaar ze alleen maar het licht, de wijsheid, de liefde van God en verliest ze twee dingen: zij verliest alle kentekens van de ervaringen en gedachten van haar manifestatie en zij verliest geleidelijk aan haar individualiteit en gaat op in het eeuwige, goddelijke Bewustzijn.

Als een voorwerp dat van aarde is gemaakt in het water wordt gegooid dan heeft het de neiging om naar de bodem te gaan, naar zijn eigen element. Als water als stoom vuur vergezelt op zijn reis dan druppelt het waterige deel ervan nog steeds naar beneden. Wanneer vuur met de lucht reist dan wordt de rook ervan over een bepaalde afstand meegenomen maar in de hogere sferen ontdoet de lucht zich van het vuur. Wanneer ether verandert in spirit dan laat het zijn contact met het lucht-element vallen. Zo is het ook met de ziel; op haar terugreis geeft ze alle eigenschappen terug aan hun eigen bronnen en verlicht zo haar last op haar weg naar haar eigen element. Het aardse lichaam gaat naar de aarde, het watergedeelte gaat naar de wereld van de wateren, haar hitte naar het koninkrijk van de hitte, haar lucht naar de sferen van de lucht, haar ether naar de etherische regionen. Haar impressies, gedachten, gevoelens, verdiensten, kwaliteiten gaan net zover als ze kunnen reiken en blijven daar waar voor hen de bedoeling is dat ze daar zijn. Vervolgens is het de ziel in haar eigen essentie die is overgebleven, opgaand in de oceaan van het bewustzijn waar niets van haar voorafgaande eigenschappen achterblijft.

Onze persoonlijkheid is net als een luchtbel in het water. De waarschijnlijkheid dat een luchtbel die eenmaal is opgegaan in het water er weer uit te voorschijn komt samengesteld uit dezelfde portie water is net zo klein als de waarschijnlijkheid dat de ziel die eenmaal is opgegaan in de oceaan van het bewustzijn er weer uit te voorschijn komt gevormd uit dezelfde portie bewustzijn. De luchtbel kan op dezelfde plaats met dezelfde portie water terugkomen, of het kan een andere portie water zijn. Er kan de helft van de eerste waterdruppel in de tweede luchtbel zitten, er kan een klein deel of er kan een ander deel van water aan toegevoegd zijn.

Als er een luchtbel komt en we noemen die luchtbel Jan en we noemen vervolgens een andere Jaap en een derde Henk dan zijn ze toch hetzelfde water en als we het water Jan noemen dan zijn ze allemaal dezelfde Jan. Alles is dezelfde spirit, hetzelfde leven, zichzelf wikkelend in alle vormen en namen. Vanuit dit gezichtspunt is er geen ik, geen jij, geen hij, geen zij, geen het in het licht van de werkelijkheid; allen zijn niet meer dan de verschillen van een moment.

Elke luchtbel verliest zowel de reflecties als alle eigenschappen die hij tijdens zijn bestaan bezat zodra hij opgaat in het water en zelfs als hij in een op de duizend gevallen gevormd uit dezelfde portie water zou komen dan zou hij niet zijn eerdere eigenschap behouden. Als we op dezelfde manier eens aannemen, als pure aanname, dat dezelfde portie bewustzijn, die in elk geval niet zo substantieel en stabiel als water is, mogelijkerwijze opnieuw aan de oppervlakte zou verschijnen zonder enige toevoeging of inhouding dan is het uiterst onmogelijk dat zij nog steeds haar vroegere kwaliteiten en impressies bezit, want ze is absoluut gezuiverd door het ondergaan in het bewustzijn. Als zelfs een inktdruppel zijn inkt-kenmerk verliest in de zee, waarom zou dan de oceaan van bewustzijn niet zijn eigen element zuiveren van alle elementen die haar vreemd zijn?

Daar het Hindoeïsme de doctrine onderricht dat een keer baden in de Sangam bij de samenstroming van de twee rivieren de mens kan zuiveren van al de zonden van het leven, hoe kan het dan ontkennen dat dit bad van de ziel, zelfs een maal in het bewustzijn zinkend, de ziel zuivert van alle eigenschappen die ze tijdens haar voorafgaande leven heeft verzameld? Op de eerste plaats is de aard van de absorptie in de Spirit op zichzelf zuivering van de materialistische zijnstoestand en de aard van manifestatie is nou juist dat de ziel nieuw en fris arriveert.

Veronderstel dat we zouden erkennen dat room de reïncarnatie van melk zou zijn en dat boter de derde stap van de reïncarnatie van melk zou zijn en dat de vierde reïncarnatie ervan ghee genoemd werd; dan zou de vraag opkomen van wat melk de reïncarnatie is? Melk wordt samengesteld uit verscheidene chemische substanties en de chemische schikking ervan verandert de naam, smaak, geur en effect. Boter kan niet melk genoemd worden, noch is ghee room. Als er al iets lijkt te bestaan door alle manifestaties van melk heen dan is dat de innerlijke regulerende stroom die atomen groepeert en uit elkaar drijft, hen aanzettend om te veranderen en die vergeleken kan worden met de ziel.

En als Jaap is gereïncarneerd als Jan of als Jan is gereïncarneerd als Jaap, wat waren zij beiden dan in het begin? Waren zij twee of één? Als één twee is geworden, dan zou één duizenden, miljoenen kunnen worden en toch nog maar één zijn.

Het voortsnellen van de ziel uit het bewustzijn kan gesymboliseerd worden als een pijl. De pijl die de lucht is in geschoten zal net zover gaan als de wil en de macht van de boogschutter hem voorbestemd hebben om te gaan, en wanneer hij zijn uiterste hoogte bereikt begint zijn terugkeer. De dood van het fysieke wezen is de terugkeer van die pijl. Natuurlijk kan het op de terugweg onderweg worden tegengehouden net zoals de pijl soms verstrikt raakt in de takken van een boom, maar hij keert op zekere dag terug naar de aarde, zijn eigen element. Hij gaat van daaraf niet via een of ander middel opnieuw weer omhoog. Zo is het ook met de menselijke ziel, die, nadat zij haar taak op aarde heeft vervuld, terugkeert naar haar oorsprong, aangetrokken door de aantrekkingskracht ervan.

Wanneer we naar de aarde kijken dan zien we dat alles een cirkel maakt. De plant groeit uit het zaad naar zijn ontwikkelde staat en keert terug naar stof. De mens groeit van zijn kindertijd naar de jeugd, naar de volwassenheid en vervolgens naar de ouderdom. Dit, zegt men, is een argument dat wij vele levens doormaken. Maar het is niet de cirkel die reist, maar het punt dat, al reizend, de cirkel vormt en terugkeert naar de plek vanwaar het is gestart. Het bewustzijn voert de reis uit en niet de individuele ziel.

De waterdruppels gaan omhoog in een fontein, sommige hoger, sommige lager, sommige gaan een klein eindje, sommige stijgen heel hoog op. Wanneer elke druppel neervalt dan zinkt die in de stroom, ermee wegstromend en stijgt niet weer opnieuw op hoewel het water van dezelfde stroom opnieuw stijgt en weer neervalt in druppels, wat ons het bewijs levert van het feit dat het het water is dat continu stijgt en neervalt en niet de druppel; toch stijgt en valt het schijnbaar als druppels hoewel de portie water in elke druppel anders is.

Een argument dat aanhangers van de reïncarnatie-theorie te berde brengen ter ondersteuning van hun doctrine is dat er soms ongebruikelijk genie of ongebruikelijke talenten in een kind worden gevonden die die niet lijkt te erven van zijn voorouders en die niet heeft kunnen verwerven uit zijn omgeving. Soms wordt er in de sloppenwijken een kind geboren dat een groot poëtisch genie bezit dat niet teruggevoerd kan worden naar zijn vader, moeder of zijn voorvaderen; of het laat een groot muzikaal talent zien dat niet gevonden kan worden in zijn vader, opa of voorouders.

De ziel verzamelt voordat ze aan de oppervlakte van de aarde komt op haar weg naar manifestatie lange lange tijd de impressies van die zielen, die zij onderweg ontmoet en neemt hun eigenschappen over. Op deze manier worden de eigenschappen van de eerdere zielen opnieuw gemanifesteerd. Een ziel kan de impressies van een ziel, van een paar zielen of van veel zielen ontvangen.

De ziel kan op haar weg naar manifestatie de ziel van een genie in poëzie of muziek ontmoeten en deze impressies met zich meenemen. Wanneer een of andere grootse of zeer goede of filantropische persoon is gestorven dan zul je ontdekken dat er snel daarna een kind met dezelfde kwaliteiten geboren zal worden om de wereld in evenwicht te houden. Een kind kan geboren worden met de kwaliteiten van Alexander de Grote. Dit komt omdat de nieuwe ziel die tevoorschijn komt richting manifestatie de ziel van Alexander heeft ontmoet en beïndrukt is geraakt met al zijn kwaliteiten of een deel van zijn kwaliteiten. Zo iemand kan beweren: ´Ik ben de reïncarnatie van Alexander´. Maar de ziel van Alexander keert niet terug. Als ze dat zou doen dan zou elke ziel die dit leven heeft verlaten afweten van haar eerdere levens.

Veel van het verschil in begrip ligt in het verschil in woorden. Als iemand zegt dat de ziel de wereld van impressies is die het bewustzijn haar voorhoudt en dat de spirit het bewustzijn is dan kan hij zeggen dat de ziel terugkeert.

Wanneer het kind van niet-poëtische ouders zingt, zelf woorden verzinnend, dan laat dit zien dat het de impressie van de een of andere poëtische ziel heeft ontvangen. De ziel die naar de oppervlakte komt is meer ontvankelijk dan creatief; zij is niet creatief omdat ze niets te geven heeft. De ziel op haar terugweg is creatief; zij schenkt daar haar ervaringen. Een ongebruikte fotografische plaat bijvoorbeeld neemt de impressie van het object dat zich voor hem bevindt op, maar de gebruikte plaat reflecteert zijn impressie op het papier. Veronderstel bijvoorbeeld dat de ziel van Vishnu een ziel ontmoet op haar weg naar de manifestatie dan kan deze machtige ziel de andere ziel beïndrukken met haar eigenschappen. Dan kan die ziel zeggen: ´Ik ben Krishna, de reïncarnatie van Vishnu´. De ziel wordt beïndrukt met wat er maar voor haar komt. Soms kunnen kinderen van heel gewone ouders zo beïndrukt raken door een groots persoon in wiens aanwezigheid zij zijn dat ze zelf groots worden. En omdat de persoonlijkheid van de mens niets anders is als een opeenhoping van zijn gedachten en impressies kan degene die deze erft de reïncarnatie van de overledene genoemd worden, hoewel zijn ziel zijn eigen ziel is.

Soms lijkt een kind vanaf zijn baby-tijd heel veel te zien en te begrijpen van hetgeen er rondom hem gaande is. Soms ziet en begrijpt een jonge man meer dan een oud iemand. Zulke mensen worden door de gewone mensen beschouwd als oude zielen en de aanhangers van de reïncarnatie-theorie nemen dat als bewijs voor de doctrine van reïncarnatie. Maar in werkelijkheid hangen weten en begrijpen niet af van leren; kennis is de kwaliteit van de ziel. De kennis van de spirit is in alle tijden de mens eigen geweest. Een oud iemand hoeft niet veel boeken te lezen om te leren dat hij ooit een klein kind is geweest; hij weet dat, het is zijn vroegere ervaring. Zo kent de ziel haar eigen ervaring; zij hoeft maar een klein beetje wakker te worden om zich daar zelf bewust van te zijn.

Toen de Sjah van Perzië de geschiedenis van Perzië op schrift wilde hebben geschreven door een geletterd iemand kon er niemand gevonden worden om dat te doen totdat de mystiek dichter Firdausi zei dat hij die wilde schrijven. En hij schreef vanuit zijn innerlijke kennis de Shah-nameh, de geschiedenis van de Sjahs van Perzië. Als hij deze kennis had uit de herinnering aan zijn vorige levens dan dient hij ononderbroken gereïncarneerd te zijn in Perzië en uitsluitend in Perzië; elke keer begiftigd met dezelfde mate van intelligentie om zo al deze kennis te hebben verworven en behouden.

Er is niets wat de ziel niet kan weten, want het gehele objectieve bestaan wordt door de ziel voor haar eigen gebruik gemaakt; en het is derhalve niet verbazingwekkend als de mens grote kwaliteiten bezit die hij niet heeft geërfd en als hij kennis heeft van alles via openbaring, niet door leren. Het is slechts verbazingwekkend als hij dit ontbeert en dat komt vanwege de bollen op de bollen van de objectieve wereld die het licht van de ziel bedekken.