Hoofdstuk 7 - Het doel van het innerlijk leven

Is het doel van de spirituele persoon macht of is hij op zoek naar inspiratie? In feite tracht hij geen van beide te bereiken, maar alle dingen zoals macht en inspiratie volgen hem als hij op het pad vooruitgaat richting het spirituele doel. Het doel van de spirituele persoon is zelfverwerkelijking en zijn reis gaat naar de diepte van zijn eigen wezen, zijn God, zijn ideaal. Offert zo iemand alle interesses in het leven op of beschouwt hij de verschillende doelen die mensen in hun leven hebben als iets wat van de weg af leidt? Helemaal niet. Ongetwijfeld is zijn doel het hoogste wat een ziel kan hebben, maar alle andere doelen die hij in het leven voor zich ziet, hinderen hem niet noodzakelijkerwijs op zijn pad; zij worden een trap op zijn pad, die hem het betreden van het pad gemakkelijk maken. Derhalve veroordeelt en bekritiseert iemand die het innerlijk leven leidt nooit de doelen van een ander, hoe klein of belachelijk zij ook mogen schijnen, want hij weet dat elk doel in het leven van een persoon slechts een opstapje is, dat hem verder leidt als hij maar vooruit wil gaan.

Er is een tijd in het leven van een ziel waarin zij wil spelen met poppen; zij zoekt naar speelgoed. Vanuit het spirituele gezichtspunt is daar niets mis mee en de mens ziet in de loop van de tijd de weg die naar het doel leidt; het zijn slechts voorbijgaande interesses die naar andere interesses leiden en op deze manier gaat de mens vooruit.

Derhalve plaatst de mens, in de visie van de ziener, voor zichzelf op verschillende tijden zulke doelen als rijkdom, plezier of een materiële hemel; de spirituele persoon begint zijn reis vanaf het punt waar dit eindigt. Het evolutieproces is geen rechte weg; het lijkt meer op een wiel dat altijd draait. Dus begint de ervaring van iemand die het spirituele pad betreedt een neerwaarste neiging te tonen en van daaraf weer omhoog. Op het spirituele pad gaat iemand bijvoorbeeld weer achteruit, hij ervaart zijn jeugd opnieuw, want spiritualiteit geeft gezondheid aan de mind en aan het lichaam omdat het het ware leven is. Hij ervaart daadkrachtigheid, kracht, aspiratie, enthousiasme, energie en een levende geest die hem jeugdig maakt, hoe oud hij ook is. Dan wordt hij als een klein kind, begerig om te spelen, bereid om te lachen, gelukkig onder kinderen; hij vertoont in zijn persoonlijkheid kinderlijke trekken, vooral die blik die men bij kinderen ziet, waar geen zorg, angst of bitter gevoel naar wie dan ook is, waar een wens is om vriendelijk naar iedereen te zijn, waar geen trots of eigenwaan is, maar de bereidheid om zich met iedereen te verbinden, wat zijn klasse, kaste, natie of ras ook is. Dus de spirituele persoon wordt als een kind. De neiging tot tranen, de bereidheid om te lachen, dit alles is te vinden in de spirituele persoon.

Wanneer de spirituele persoon verdergaat vertoont hij in zijn aard de kleutertijd. Dat kan worden waargenomen in zijn onschuld. Zijn hart mag dan verlicht zijn met wijsheid, toch is hij onschuldig; hij wordt gemakkelijk bedrogen, zelfs terwijl hij het weet, naast dat hij onder alle omstandigheden gelukkig is, als een kleuter. Daar de kleuter geen aandacht heeft voor eer of voor belediging, heeft de spirituele persoon dat ook niet. Wanneer hij in dit stadium terechtkomt, beantwoordt hij een belediging met een glimlach. Eerbetoon dat hem wordt gegeven is als eerbetoon dat aan een baby wordt gegeven, die niet weet voor wie ze bedoeld zijn. Slechts de persoon die het eerbetoon heeft gegeven, weet dat het aan iemand is gegeven. De spirituele mens is zich er niet van bewust, noch is hij er blij om of trots op. Het betekent niets voor hem. Degene die hem eerbetoon heeft gegeven, heeft dat aan zichzelf gegeven, want voor een baby betekent het niets als iemand in zijn voor- of nadeel zou spreken; de baby geeft er niet om, hij is bereid om om beide te lachen; en zo is de spirituele ziel ook.

Wanneer de spirituele ziel verder voortgaat, begint zij de ware trekken van menselijkheid te vertonen, want hier begint de ware menselijkheid. Men kan in zo´n ziel de tekenen zien die de pure karakteristieken van het menselijk wezen zijn, ontbloot van dierlijke trekken. Er is bijvoorbeeld in hem een neiging om elke goede daad door wie dan ook verricht, te waarderen, om het goede te bewonderen waar en bij wie hij het ook maar ziet; er is in hem een neiging om te sympathiseren, wat de omstandigheid van een persoon ook is, heilige of zondaar; er is in hem een neiging om geïnteresseerd te zijn in de zaken van zijn vriend als er een beroep op hem wordt gedaan om dat te doen; er is in hem een neiging om te offeren, en om niet na te denken over wat hij offert, zolang als hij bewogen wordt om die handeling te verrichten. Respect, dankbaarheid, oprechtheid, trouw, geduld, verdraagzaamheid, al deze kwaliteiten beginnen zich te vertonen in het karakter van die mens. In deze fase kan hij waarlijk oordelen, want in deze fase wordt het gevoel voor rechtvaardigheid wakker.

Maar terwijl hij groeit, blijft hij ook achterwaarts groeien. Hij vertoont nu de tekenen van het dierlijke koninkrijk; bijvoorbeeld zo´n kwaliteit als van een olifant, die met al zijn kracht en macht van zijn reuzenlijf bereid is om de lading die erop is gezet te dragen; het paard, dat bereid is zijn berijder te dienen; en de koe, die harmonieus in de wereld leeft, thuiskomt zonder daartoe aangezet te zijn, de melk geeft die het recht van haar kalf is. Deze kwaliteiten komen tot de spirituele persoon. Hetzelfde wordt geleerd door Christus.

Wanneer hij nog verder gaat ontwikkelt zich in hem de kwaliteit van het plantenkoninkrijk, van de planten die vruchten en bloemen voortbrengen; geduldig wachtend op de regen die van boven komt; nooit iets terugvragend van degenen die de bloemen en de vruchten komen halen, ze geven en vragen nooit iets terug, zij willen alleen maar schoonheid voortbrengen in overeenstemming met de mogelijkheid die in hen is verborgen, en ze laten het afpakken door degenen die het wel of niet waard zijn, wie het ook moge zijn, zonder enige verwachting van waardering of dank.

En als de spirituele persoon nog verder vordert dan komt hij bij het stadium van het minerale koninkrijk. Hij wordt als een rots; een rots waar anderen op kunnen leunen, op kunnen vertrouwen; een rots die tussen de constant bewegende golven op de zee van het leven onbewogen blijft staan; een rots die alle dingen van deze wereld verdraagt waarvan de invloed een botsend effect heeft op gevoelige menselijke wezens; een rots van trouw in vriendschap, van standvastigheid in de liefde, van loyaliteit voor elk ideaal waarvoor hij is gaan staan. Men kan op hem vertrouwen in leven en dood, hier en in het hiernamaals. In deze wereld waarin niets betrouwbaar is, die elk moment vol veranderingen is, is zo´n ziel aangekomen bij het stadium waar hij door al deze veranderingen heen die rotsachtige kwaliteit vertoont, en bewijst hierdoor zijn vordering naar het minerale koninkrijk.

Zijn verdere ontwikkeling is naar de djin-kwaliteit, die het alleswetende, allesbegrijpende vertegenwoordigt. Er is niets wat hij niet begrijpt; hoe moeilijk de situatie ook is, hoe subtiel het probleem ook is, wat de omstandigheden van degenen om hem heen ook zijn, hij begrijpt het allemaal. Iemand kan, gehard door de fouten die hij zijn hele leven heeft gemaakt, naar hem toe komen; voor dit begrip smelt hij, want of het nu een vriend of een vijand is, hij begrijpt beiden. Hij heeft niet alleen de kennis van de menselijke natuur, maar ook van objecten, van omstandigheden van het leven in het algemeen in al zijn aspecten.

En verder hij nog verder vordert, ontwikkelt zijn natuur zich in die van een engel. De natuur van een engel is om vol aanbidding te zijn. Hij aanbidt derhalve God in alle schepsels; hij voelt zich niet groter of beter of spiritueler dan wie dan ook. In deze verwerkelijking is hij de aanbidder van alle namen en vormen die er zijn, want hij beschouwt ze als alle namen en vormen van God. Niemand, hoe ontaard die ook is of hoe de wereld daar ook op neerkijkt, is in zijn ogen minder. In zijn ogen bestaat er slechts het goddelijk Wezen; en op deze manier is elk moment van zijn leven gewijd aan aanbidding. Voor hem is het niet langer noodzakelijk om op een bepaalde tijd God te aanbidden, of op een bepaalde plaats, of op een bepaalde manier. Er is geen moment dat hij niet in aanbidding is. Elk moment van zijn leven is hij in aanbidding, bevindt hij zich voor God; en omdat hij zich elk moment van zijn leven voor God bevindt, wordt hij zo gezuiverd dat zijn hart een kristal wordt waar alles helder is. Alles wordt daar gereflecteerd, niemand kan zijn gedachten voor hem verbergen, niets wordt er voor hem verborgen; alles is net zo helder gekend als het gekend is voor de ander, en zelfs meer. Want iedereen kent zijn eigen conditie en toch kent hij niet de reden, maar het spirituele wezen kent in dit stadium de conditie van de persoon en de reden erachter. Daardoor weet hij meer over elke persoon dan die persoon zelf.

In dit stadium komt zijn vooruitgang samen en bereikt die haar volheid; en Christus heeft met betrekking tot dit in de volgende woorden gesproken: ´Wees perfect, zoals Uw Vader in de hemel perfect is´. Wanneer dat stadium arriveert, is dat niet uit te drukken. Het is een besef, het is een realisatie, het is een gevoel, wat woorden nooit kunnen uitleggen. Er kan slechts één ding worden gezegd en dat is dat wanneer een persoon dat stadium wat perfectie wordt genoemd heeft bereikt, zijn gedachte, spraak, handeling, zijn atmosfeer, alles productief van God wordt; hij verspreidt God overal. Zelfs als hij niet zou spreken, zou hij God verspreiden; als hij niets zou doen, zou hij toch nog God brengen. En dus brengen God-verwerkelijkten de levende God naar de wereld. Tegenwoordig bestaat er op de wereld alleen een geloof in God; God bestaat in de verbeelding, in het ideaal. Een ziel die goddelijke Perfectie heeft aangeraakt, brengt een levende God naar de aarde, een God die zonder hem alleen maar in de hemel zou verblijven.