Boeddha

India, een land van extremen, was ooit heel erg verzonken in idealisme. Dit bereikte zijn hoogtepunt toen Brahmanen mensen een idealisme gaven dat hen het gezicht van God in de mens liet erkennen en de hemel op aarde lieten ervaren. En toen dit zijn hoogtepunt bereikte kwam er een ander tijdperk, een tijdperk van reactie en dat was de periode van Boeddha.

De missie van Boeddha was in haar aard helemaal uniek en daarom staat het helemaal los van veel andere religies van de wereld. Mensen vragen zich soms af of alle religies één zijn; zij kunnen gemakkelijk een overeenkomst zien tussen de Hebreeuwse religie en de Islam en ook van religie van Christus. Maar ze kunnen niet begrijpen dat datgene wat Boeddha onderrichtte ook een religie zou kunnen zijn en dat die een met de andere zou kunnen zijn. Het antwoord is dat het werk van al diegenen die de mensheid in de vorm van religie hebben geholpen van groot belang is geweest, allereerst omdat ze dezelfde boodschap moesten geven die elke andere dienaar van de mensheid had gegeven en op de tweede plaats omdat ze moesten beantwoorden aan de eis van de tijd in een vorm die geschikt was voor die specifieke tijd. Hierin verschilden ze van hun voorgangers die het werk op een andere manier hadden gedaan. Toen het idealisme in India zijn hoogtepunt had bereikt was het niet aan Boeddha om een nog groter idealisme dan de mensen al hadden te onderrichten. Sterker nog, hij moest hen om een balans te brengen een pil van desillusie geven. En op die manier misschien zou het toen of zelfs vandaag erop kunnen lijken dat hij een leraar van een totaal andere filosofie is en van een religie die verschilt van alle andere religies die idealistischer zijn. Toch kun je niet één woord in de leer van Boeddha laten zien dat tegen enige religie is. Het was zijn missie om de vogels van het idealisme die in de lucht zweefden dichter bij de aarde te brengen, omdat het voedsel voor hun lichaam aan de aarde toebehoorde.

Boeddha die van geboorte een prins was werd door de wijzen van die tijd erkend als een ziel van het verfijndst denkbare gevoel en de grootste diepte van het hart. Geboren in een gezin waarin er goed voor hem werd gezorgd hield men als vanzelf alle zorgen, onrust en problemen van het leven van hem weg. Zijn ouders wilden deze ziel de tijd geven om zich te ontwikkelen zonder gedeprimeerd te worden door wereldse zorgen. Niet alleen de liefde van de ouders maar ook de wijsheid van het lot voedde op deze manier een ziel op die werd geboren om met de wereld te sympathiseren.

Toen de mind van Boeddha na de beste educatie tot rijpheid kwam werd het hem op een dag toegestaan om erop uit te gaan en naar de wereld te kijken. Deze ziel, die het niet was toegestaan veel van de wereld te zien en die nooit pijn, onrust of zorgen had gekend was zich totaal onbewust van de ervaringen van het leven in de de wereld. Dus toen hij voor het eerst erop uit ging en een bejaarde man zag die alleen maar met veel moeite kon kopen vroeg hij: ´Wat is het?´ Zijn bedienden antwoordden: ´Dat is de leeftijd´. En hij sympathiseerde. En toen zag hij iemand anders die er uitgeput, moe en terneergeslagen uitzag. Hij vroeg: ´Wat is er aan de hand?´ Zij antwoordden: ´Dat is ziekte´. En hij sympathiseerde terwijl hij zei: ´Dus dat is ziekte!´ Er was iemand anders die zijn geld had verloren en wanhopig was en zich in armoede bevond. Boeddha vroeg: ´Wat is het?´ Zij antwoordden: ´Dat is armoede´. En hij sympathiseerde terwijl hij de toestand van die man voelde. Kortom, deze ziel wier hart openstond om met iedereen te sympathiseren voelde dat het leven vele beperkingen heeft en dat elke beperking zijn wanhoop heeft. En het aantal beperkingen dat hij zag was zo groot dat hij zich afvroeg welke remedie er voor al deze beperkingen gevonden zou kunnen worden.

Op de eerste plaats zag hij dat de menselijke natuur naar geluk zoekt, niet omdat geluk zich buiten de mens bevindt, maar omdat het tot hem behoort. Toen hij zag dat al deze beperkingen een hindernis vormden voor de mens en hem afhielden van het bewustzijn van dit geluk wat het zijne was. Hij zag ook dat zelfs als alle verschillende soorten onrust en alle oorzaken van wanhoop werden verwijderd, de mens toch niet vrij van onrust zou zijn. Het is de natuur van de mens om geluk te vinden; niemand in de wereld is op zoek naar wanhoop, hoewel bijna iedereen in de wereld wanhoop vindt zonder ernaar op zoek te zijn. Gautama zag echter dat het wegnemen van deze schijnbare beperkingen niet voldoende was, maar dat studie van het leven, observatie en analyse zeer noodzakelijk waren. Hij vond uiteindelijk dat de analyse van het leven, een gedegen analyse, je rede zuivert van alle duisternis en er zijn eigen oorspronkelijke licht in produceert.

De mens raakt van streek door naar leed te kijken zonder het bestudeerd te hebben. Dit is over het algemeen het geval. De mens is bang voor elk leed dat naar hem toe komt en hij neemt er deel aan zonder het eerst onder ogen gezien te hebben en het analytisch te hebben bestudeerd. Tegelijkertijd zag Boeddha echter dat als er al een sleutel tot geluk was, die kwam door het licht van analyse op al de verschillende situaties van het leven te werpen. Boeddha onderrichtte dit in de vorm van religie en vandaag de dag beginnen de denkers van de moderne wereld dezelfde oplossing te vinden die Boeddha meer dan tweeduizend jaar geleden had ontdekt; ze noemen het psycho-analyse. Het is het begin van wat in het hoogste idealisme zijn hoogtepunt al had bereikt.

Boeddha was de titel van Gautama. Hij werd Boeddha genoemd omdat zijn spirit de betekenis van het woord Buddh tot expressie bracht, wat Sanskriet is voor rede, want dat is het vermogen in de mens dat weet, dat ziet en daardoor onderscheid maakt en onderscheidt tussen dingen en wezens. In boeddhistische termen wordt de Spirit van Leiding Bodhisatva genoemd, wat de essentie van de rede betekent. De rede is in zijn essentie van een liquide karakter; het is het neusje van de zalm van de intelligentie. Wanneer die wordt gekristalliseerd dan wordt die rigide. Intellectualiteit brengt heel vaak een kennis tot expressie gevormd door redenen, waarvan de meeste redenen van een rigide karakter zijn. Maar het verfijndere redeneren is subtiel; hoe verfijnder de rede, hoe minder die in woorden uitgelegd kan worden. Daarom kunnen mensen met een verfijnde beredenering niet heel erg goed hun rede in woorden uitdrukken. De rede is in zijn essentie de diepte van de intelligentie. De intelligentie weet, niet omdat ze heeft geleerd; ze weet omdat ze weet. In deze hogere rede wordt de Spirit van Leiding begrepen en vanuit die fontein van de rede hebben alle grote profeten gedronken.

In het onderricht van waar boeddhisme is Boeddha nooit beschouwd als een exclusieve persoonlijkheid. Boeddha is voor degenen die zijn boodschap op de juiste wijze hebben begrepen bekend geweest als iemand die de verwerkelijking van die essentie van de rede heeft bereikt die de voltooiing van het doel van het leven is.

De verering van Boeddha betekent niet dat de boeddhist de persoonlijkheid van zijn spirituele meester vereert. Ze betekent alleen maar dat als er enig object is dat het het meest verdient om vereerd te worden dat een menselijk wezen is. Het is degene uit wiens hart de essentie van de rede Buddh als een bron is ontsprongen. Door deze kennis erkent hij de mogelijkheid voor iedere ziel, wat haar evolutiegraad ook is, om die zegen te verwerven, erop vertrouwend dat het allerdiepste wezen van elke ziel goddelijk is.

Hoop is de honing van het leven. Als de kennis van God niet de hoop geeft op het verwerven van die goddelijke zegen die in het leven verworven kan worden dan heeft die kennis geen enkel nut. De mens kan jarenlang in God geloven en toch geen voordeel trekken uit spirituele zegen, want spirituele zegen bevindt zich niet alleen in het geloven in God, maar ook in het kennen van God.

Buddh, wat subtiel redeneren is, is het pad dat naar het doel leidt en de afwezigheid ervan houdt iemand in duisternis. Net zoals de zon de bron van licht is die de uiterlijke dingen in het leven laat zien, zo is Buddh de innerlijke bron van licht die de mens in staat stelt het leven helder te zien, zowel naar binnen toe als naar buiten toe. Het ware doel van de discipelen van Boeddha is niet alleen Boeddha, zijn naam of zijn ideaal, aan te hangen maar ook Boeddha als voorbeeld te nemen, op een dag Boeddha te worden. Hetzelfde idee is het geheim van het soefisme.

Boeddha leerde zijn volgelingen niet om zijn eigen beeltenis te vereren, zoals ze dat tegenwoordig doen. In elke boeddhistische tempel en in elk boeddhistisch klooster vind je beelden van Boeddha in alle maten, in goud, zilver, koper en steen – Boeddha die met gekruiste benen zit of in een mystieke houding staat. Geen enkel huis van een boeddhist, geen enkele heilige plaats is zonder zijn beeltenis. En hoewel de oorspronkelijke vier geschriften van het boeddhistische geloof lang geleden zijn verdwenen, kon toch de geur van zijn filosofie en moraal niet verloren gaan. Ofschoon het afgoderij lijkt te zijn, inspireert toch zijn beeltenis als een symbool niet alleen zijn toegewijden maar elke bedachtzame mind; want het toont balans, kalmte, vrede, verzonken zijn in zichzelf, zuiverheid van karakter, schoonheid van persoonlijkheid, vriendelijkheid, tederheid, een rustige houding en perfecte wijsheid.

Net zoals vandaag de dag in de moderne beschaafde landen de beelden van helden, koninklijkheden, oorlogsbevelhebbers, politici, dichters, schrijvers en musici overal worden opgericht en het vrijheidsbeeld Amerika herinnert aan de nationele vrijheid, zo spreekt voor een boeddhist het beeld van Boeddha over spirituele bevrijding. Waarom zou het als verkeerd worden opgevat als de boeddhisten het beeld van hun inspirator voor zich hebben, van wie zelfs alleen al de afbeelding hun ziel in de richting van de hoogste idealen verheft, en het leven van verzaking en zelf-ontkenning dat hun leraar leidde?

Boeddhisme, die de rivaal en het kind van het Brahmanisme is, kon moeilijk de invloed van zijn ouder-religie buitensluiten. Ofschoon het boeddhisme het geloof is alles wat niet bewezen wordt door de logica ontkent, zoals God, de ziel, bemiddeling of het hiernamaals, bestaat er toch nog de beelden-verering van de Brahmanen onder boeddhisten in de verering van Boeddha en boeddhisten geloven ook in reïncarnatie en de wet van Karma.